Waarom voelen we ons soms zo vervreemd van de wereld?
Regelmatig zie ik in mijn praktijk mensen die zich een buitenstaander voelen en maar niet kunnen landen in het leven. Ze zeggen dan dingen als:
-
“Ik heb best een mooi leven, maar toch ontbreekt er iets.”
-
“Mijn werk is best zinvol, maar toch vraag ik me af waar ik het eigenlijk allemaal voor doe. Moet ik niet iets anders, nuttigers gaan doen?”
-
“Ik kan niet zo veel met van die oppervlakkige gesprekken. Op een feestje lach ik wel mee op de juiste momenten, maar ik voel me meer toeschouwer dan deelnemer.”
In deze verhalen sijpelt door dat ze zich vervreemd voelen van de wereld.
Oorzaken
Een gevoel van vervreemding kan veroorzaakt worden door pijnlijke kwetsuren, opgelopen in de (vroege) kindertijd. In mijn praktijk hoor ik dan soms heftige verhalen, bijvoorbeeld over het opgroeien in een gezin waar de borden soms letterlijk door de kamer vlogen. Of iemand die vertelt over hoe hij als kind met zijn ouders vluchtte voor oorlogsgeweld.
Toch zijn het niet alleen maar dit soort verhalen. Ik hoor ook verhalen van mensen die opgroeiden in een ogenschijnlijk ‘normaal’ gezin. Een gezin, waar het in materieel opzicht aan niets ontbrak, maar waar geen enkele ruimte voor gevoelens was of waar ouders elkaar met kilte het leven zuur maakten. Ook dit kan buitengewoon veel impact hebben.
In dit soort situaties kan je als kind niet anders dan je gevoelens verstoppen achter een muur, omdat ze veel te pijnlijk zijn om te ervaren. Je gevoelens gaan dan ondergronds. Dit heeft grote consequenties, want het zorgt voor een scheiding tussen hoofd en lijf. Je hoofd gaat overuren draaien en de signalen van het lijf kun je nauwelijks meer ervaren. Zo raak je vervreemd van jezelf en – zoals in het gedicht verwoord – ‘onbewoonbaar’.
Dat is geen vrije keuze, maar absolute noodzaak om te dealen met de pijnlijke werkelijkheid die je aantrof. Het niet bewonen van je lichaam manifesteert zich vervolgens als een niet thuis voelen in de wereld, want ‘zo binnen zo buiten’. Dit geeft een gevoel van leegte en vervreemding.
Ook als je zicht hebt op je jonge kwetsuren en wel contact hebt met je gevoel, kan deze innerlijke wond je nog lang blijven ‘opslokken’. De pijn die je met je meedraagt, werkt als een magneet, die steeds je aandacht blijft opeisen.
Aan de buitenkant is jouw innerlijke wond niet zichtbaar en wellicht deel je er ook niet veel over. Mensen om je heen zien jouw pijn daarom meestal niet en schenken er weinig aandacht aan. Als het gesprek er wel over gaat, kunnen anderen niet altijd mee met de diepte die het voor jou heeft. Dit kan je een gevoel geven van niet gezien en begrepen worden. En dat gaat wringen. Je vindt anderen dan al snel oppervlakkig en voelt jezelf ‘anders’, waardoor je de neiging hebt om je verder terug te trekken. Hiermee wordt het gevoel van ‘buitenstaander zijn’ verder versterkt.
Luchtige gesprekken op een feestje voelen dan al snel als triviaal. Want in jouw wereld zijn er grotere, betekenisvollere dingen die om aandacht schreeuwen. Het moet dáár over gaan. Het is dan pijnlijk om anderen te zien, die ‘niet zo moeilijk doen’, ogenschijnlijk gewoon plezier hebben en luchtiger door het leven gaan.
De oude wond kan ook je relatie tot werk beïnvloeden. Zelfs als je werk objectief gezien nuttig is, kan dit voor jou als onbeduidend en leeg voelen, omdat je werk emotioneel gezien niet in de schaduw kan staan van je pijnlijke ervaringen. Je hebt dan het verlangen om iets ‘groters’ te doen, want er is immers zo veel leed in de wereld dat aandacht verdient. Met dit leed bezig zijn voelt dan als ‘echter’ en belangrijker, omdat het meer resoneert met jouw eigen innerlijke wond.
Hoe om te gaan met dit gevoel van vervreemding?
Therapie kan je helpen om anders om te gaan met gevoelens van vervreemding. Een eerste stap is om te begrijpen dat ‘uit je lijf gaan’ ooit noodzakelijk was als bescherming. Om vervolgens weer contact te maken met weggestopte gevoelens, zodat je jezelf weer gaat ‘bewonen’ en de connectie met jezelf herstelt. Dit is een proces wat meestal niet met grote stappen gaat. Het vraagt om geduldige aandacht en – zoals ik in de vorige nieuwsbrief schreef – om een langzaam ontdooien.
Een tweede stap is om weer meer verbinding met andere mensen aan te gaan. Dat is misschien nog wel de grootste drempel om te nemen, omdat je toevertrouwen aan anderen angst en wantrouwen kan oproepen, omdat je ooit een ‘niet thuis’ hebt ervaren. Het voelt dan als een groot risico om weer in al je kwetsbaarheid tevoorschijn te komen en uit te reiken.
Toch is juist verbinding met anderen nodig. Want een oprecht welkom, gezien worden door de ander en je verbonden voelen, blijft het beste medicijn tegen vervreemding.


