Blog

Er is altijd een verhaal

Een medisch specialist belt me op met de vraag: “Wat vind jij Roel, moet ik solliciteren naar deze functie van afdelingshoofd?” Ik ken hem al wat langer van een persoonlijk leiderschap cursus die ik een paar jaar geleden gaf. Type vriendelijke man met het hart op de goede plek. Geen oude rot maar ook geen broekkie meer. Goed in zijn vak en een dokter waarvan ik dacht: als mijn kind ooit iets heeft dan bel ik jou. In de cursus viel hij op door zijn leiderschapskwaliteiten met een scherp oog voor zijn omgeving en veel ideeën om de zorg op zijn afdeling beter te maken. Kortom, een kundige, integere en fijne vent.

Als hij een paar dagen later tegenover me zit in mijn coachruimte praat hij snel en veel. Hij geeft uitgebreide analyses met voors en tegens. Ik hoor hem vol enthousiasme over plannen voor de afdeling praten, maar ook allerlei redenen noemen waarom hij ongeschikt is voor de functie. Hij verzucht: “Ik heb het idee dat anderen het politieke spel veel beter snappen dan ik”. En: “Op dit soort posities moet je een veel dikkere huid hebben en een groot ego, zo ben ik nou eenmaal niet”. Terwijl ik zo naar hem luister is mijn eerste gedachte: Als jij niet goed genoeg bent voor deze plek, wie dan wel? Mijn klassenleraar zei deze zin ooit op vaderlijke toon tegen mij, toen ik twijfelde of de universiteit niet te hoog gegrepen was. Deze zin is me altijd bijgebleven. Soms heb je iemand nodig die in je gelooft en die je dat laatste zetje geeft.

Natuurlijk spreek ik deze zin nu ook tegen hem uit, maar dat maakt nog weinig indruk op hem. Ik kom ook nauwelijks tussen zijn woordenstroom dus ik vraag hem op een gegeven moment om even te stoppen met praten. “Oh, sorry, ik praat wel veel hè”, zegt hij een beetje beschaamd. “Dat kan ik niet ontkennen”, zeg ik met een glimlach. Omdat de weg uit een dilemma meestal niet via meer analyseren gaat vraag ik hem: “Hoe voel je je van binnen?” Het blijft even stil waarna hij zegt: “Ik weet het niet hoor, maar ik voel me ongemakkelijk als ik me tussen die hotemetoten moet begeven. Een beetje als een klein jongetje”. “Dat klinkt als: ik ben een beetje bang”, opper ik. “Nou, het is een wereld die ik niet goed ken en ik heb ergens een gevoel dat anderen het allemaal snappen, maar ik niet”. Terwijl hij het zegt zie ik aan zijn houding dat hij zich wat kleiner maakt. Hierna vertelt hij nog enkele anekdotes van vergaderingen met afdelingshoofden en bestuurders waar hij wel eens bij zat, waarbij hij zich vooral stilhield.

Om hem nog wat meer naar zijn gevoel te krijgen probeer ik nog eens: “Dus bij zo’n vergadering voel je je klein en bang”. “Ja, dat is wat groot gezegd maar als je het zo stelt wel”, zegt hij. “En dat is ook precies waarom ik niet geschikt ben voor zo’n functie”, vervolgt hij. “O ja?”, zeg ik een beetje provocerend. “Nou ja, op zo’n plek zitten nu eenmaal geen bange mensen” vervolgt hij met een glimlach. Ik denk “je moest eens weten”, maar besluit maar even niet in discussie te gaan.

Ik stel voor om verder te onderzoeken waar dat gevoel van bang vandaan komt. Na wat vragen van mijn kant zegt hij iets over hoe weinig support er is in de organisatie. “Er is niemand die je uitlegt wat er allemaal bij komt kijken of hoe dat werkt om afdelingshoofd te zijn”. Terwijl hij het zegt realiseer ik me dat hij in deze sessie steeds aan het woord is en maar weinig gebruik maakt van míjn support. Dus ik vraag: “Of maak je misschien wat weinig gebruik van de support die er misschien wel is?”. Hij kijkt me niet begrijpend aan. “Nou, misschien kun je bijvoorbeeld eens gaan koffiedrinken met wat mensen hoger in de boom die het wél snappen”, vervolg ik. Ik zie dat hij van deze suggestie schrikt. “Dat klinkt natuurlijk heel logisch”, zegt hij alsof ik hem betrapt heb, “maar dat vind ik om de een of andere reden spannend”. Daarna volgen nog een paar opmerkingen waarbij hij zichzelf op zijn kop geeft over hoe stom dat is.

Ik blijf even stil en laat op me inwerken wat ik allemaal hoor en ervaar in het contact met hem. Wat me opvalt is dat hij de neiging heeft om zichzelf naar beneden te halen. Hij vergelijkt zichzelf met anderen die niet bang zijn. Anderen die het allemaal wel snappen. En hij heeft een flink oordeel over zich klein voelen. Bovendien is hij ervan overtuigd dat dit een weeffout in hemzelf is, waardoor hij ongeschikt is voor de functie. Ik realiseer me dat hij zichzelf waarschijnlijk nooit de vraag heeft gesteld waar dit gevoel vandaan komt. Dus ik besluit op zoek te gaan naar het verhaal dat hierachter schuilgaat.

Dus in een volgende sessie vraag ik hem om eens wat meer te vertellen over het gezin waarin hij is opgegroeid. Hij voelt wel aan waar ik naartoe wil en zegt: “Ik kan werkelijk niets bedenken wat dat bange gevoel kan verklaren. Dat is gewoon echt iets in mijzelf”. Ik blijf even stil om hem verder te laten praten. “Ik kom uit een warm bad”, verklaart hij. “Mijn ouders steunden me ook altijd”. Ik kan zien dat hij het meent als hij met veel liefde over zijn ouders spreekt.

Ik merk ondertussen dat ik onrustig word omdat er geen verhaal lijkt te zijn. Geen verklaring die ik kan inkoppen. Meteen steekt mijn eigen vertrouwde thema rondom “goed genoeg zijn” de kop op. De angst om door de mand te vallen. Door schade en schande weet ik dat ik in zo’n geval niet moet aandringen, om van mijn eigen onrust af te komen. Dus ik haal maar even diep adem.

Terwijl ik voor mijn gevoel ongemakkelijk lang stil blijf komt het beeld op van een kleine, bange jongen die alleen de wereld inloopt. Even twijfel ik of dat over hem of over mijzelf gaat. Ik vermoed over ons allebei, dus ik stel hem de vraag: “Wie nam jou als kleine jongen mee de wereld in?” Ik zie dat de vraag hem raakt. Het blijft stil en ik zie dat hij pogingen doet om zijn tranen binnen te houden. “Die zag ik niet aankomen”, zegt hij.

Hij spreekt nu veel langzamer. “Mijn ouders hebben nooit gestudeerd. Het zijn schatten, maar ze konden me in die wereld niet de weg wijzen. Trouwens, niemand in de familie. Ik had geen voorbeelden en heb alles een beetje zelf moeten uitvinden”. Hij vertelt verder, over zijn vader die al jong aan het werk moest om de kost te verdienen. “Hij maakte lange dagen. In mijn herinnering zag ik hem niet veel. En het is een man van weinig woorden. Eigenlijk weet ik niet zo veel over hem”.

“Heb je je vader gemist?”, vraag ik. Het blijft weer lang stil. “Ik heb het me nooit zo gerealiseerd, maar ik denk het wel”. Dan komen er plots meer, lang weggestopte verhalen. Hij herinnert zich ineens hoe bang hij was geweest om naar het VWO te gaan. Een onbekende wereld waar niemand hem de weg kon wijzen. En over de conciërge van school. Hij wist nog precies zijn naam. Ontroerd vertelt hij over deze man die hem aan de hand had genomen. Hoe hij er voor hem geweest was en een beetje als een vader over hem had gewaakt. “Zulke mensen heb je nodig in je leven”, zegt hij. “Ja”, beaam ik, terwijl ik denk aan mijn klassenleraar.

‘‘Dus als ik het goed begrijp heeft mijn bang zijn van nu te maken met vroeger”, zegt hij na een tijdje. “Ja”, antwoord ik. “Het is ergens alsof je weer naar de middelbare school gaat en een wereld instapt die je niet goed kent. En je voelt je weer even die jongen van toen. Er zit dus een verhaal achter je bang zijn. In mijn woorden: er was toen weinig bedding voor je en je hebt veel alleen moeten uitvogelen”. Hij knikt en ik zie aan hem dat zijn hoofd op volle toeren werkt om alles op een rij te zetten.

“Weet je wat goed werkt tegen bang zijn?”, vraag ik na een tijdje. Hij kijkt me vragend aan. “Het beste medicijn is dat je iemand vasthoudt, zoals een jong kind zijn ouders beetpakt als het bang is. Vrij vertaald: Dat je bijvoorbeeld mensen in je organisatie opzoekt, waar we het eerder over hadden”. “Dat werkt beter dan jezelf veroordelen omdat je je klein voelt”, voeg ik toe.

“Maar waarom vind ik dat dan zo moeilijk?”, vraagt hij. Als antwoord maak ik een symbolisch gebaar door mijn handen open op mijn schoot te leggen met mijn handpalmen omhoog waarmee ik aangeef: “Je bent welkom met je bang zijn, pak mijn hand maar”. Hij schiet vol. Het besef van gemis aan steun van toen komt nu vol binnen. Het doet hem goed én het is pijnlijk. Door zijn tranen mompelt hij met een glimlach iets van ‘‘verdomme” om aan te geven dat het echt niet de bedoeling was om zo geraakt te worden.

“Een hand vastpakken is spannend en pijnlijk omdat het aan je oude gemis raakt”, zeg ik. “Maar dit is dus wat je te doen hebt. Je huiswerk is om te gaan buurten met wat jij hotemetoten noemt. Laat je maar de weg wijzen”.

De volgende sessie komt hij vrolijk binnen. In de tussentijd had hij gesproken met iemand van de Raad van Bestuur en een paar andere kopstukken van zijn organisatie. Hij vertelt: “Het waren eigenlijk heel aardige en gewone mensen. Het was ook heel gelijkwaardig en ze waren echt geïnteresseerd. Ik heb dus besloten om te solliciteren”. “Mooi!”, zeg ik terwijl ik vanbinnen geïnspireerd ben door zijn moedige stap.

Veel mensen halen zichzelf onderuit of maken zich kleiner dan ze zijn. Ze zijn kritisch naar zichzelf en schrijven hun onvolkomenheden aan zichzelf toe. Het is dan belangrijk om je eigen verhaal te kennen, ook al is dat verhaal niet altijd mooi en soms pijnlijk. Met het (h)erkennen van je verhaal verandert de overtuiging “er is iets mis met mij” in het inzicht “het is begrijpelijk waarom ik me voel zoals ik me voel en doe zoals ik het doe”. Een volgende stap is om patronen te doorbreken, zoals in dit voorbeeld steun zoeken, daar waar die er ooit niet zo was.

Onlangs kreeg ik het bericht dat hij was aangenomen als afdelingshoofd. Ik weet zeker dat hij het goed gaat doen.

© Copyright Roel Breuls - Ontwikkeling van mens en organisatie